Staatsblad
van het Koninkrijk der Nederlanden



Jaargang 2002


 
 
 
 
 
 
 


496
Besluit van 13 juli 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 1946, houdende nieuwe regelen betreffende de instelling van een Eerepenning voor menschlievend hulpbetoon (Stb. G 199), het koninklijk besluit van 23 juli 1951, houdende instelling van het Kruis voor Recht en Vrijheid (Stb. 126), het Besluit Herinneringsmedaille Humanitaire hulpverlening bij Rampen, het Besluit militaire medailles en het koninklijk besluit van 10 april 1931, nr. 21, houdende bepalingen betreffende eretekenen en medailles


 

   Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

   Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 18 juni 2002, nr. DO 039/2002 001828, sectie onderscheidingen, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Buitenlandse Zaken en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

   Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

   Het koninklijk besluit van 2 augustus 1946, houdende nieuwe regelen betreffende de instelling van een Eerepenning voor menschlievend hulpbetoon (Stb. G 199)1, wordt gewijzigd als volgt:

   A. Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a

   Een voordracht tot toekenning van een erepenning wordt gedaan door:
   a. Onze Minister van Defensie, indien de menslievende daad is verricht door een militair dan wel door een burgerambtenaar in dienst van het Ministerie van Defensie;
   b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in andere gevallen dan bedoeld onder a.

   B. Artikel 5, tweede lid, wordt vervangen door:

   2. Een voordracht tot het ontnemen van een verleende erepenning wordt gedaan door Onze Minister die het aangaat.

ARTIKEL II

   Artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 Juli 1951, houdende instelling van het Kruis voor Recht en Vrijheid (Stb. 126)2, komt te luiden:

Artikel 2

   Het Kruis voor Recht en Vrijheid wordt door of namens Onze Minister van Defensie toegekend aan militairen van de krijgsmacht die deelgenomen hebben aan krijgsbedrijven ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk of ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, voorzover deze krijgsbedrijven bij koninklijk besluit zijn aangewezen.

ARTIKEL III

   In artikel 2 van het Besluit Herinneringsmedaille Humanitaire hulpverlening bij Rampen3 wordt «van overheidswege in militair verband zijn uitgezonden en die» vervangen door: deel uitmakend van of tezamen met de krijgsmacht.

ARTIKEL IV

  Het Besluit militaire medailles4 wordt gewijzigd als volgt:

   A. In artikel 1 wordt «der Koninklijke landmacht of der Koninklijke Luchtmacht» vervangen door: van de Koninklijke Landmacht, van de Koninklijke Luchtmacht of van de Koninklijke Marechaussee, alsmede aan alle reservisten van die krijgsmachtdelen beneden de rang van tweedeluitenant, die krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht zijn tot het verrichten van werkelijke dienst.

   B. In artikel 7 wordt «begiftige» vervangen door: begiftigde.

   C. Artikel 9 wordt gewijzigd als volgt:

   1. In het tweede lid wordt «der Koninklijke landmacht of de Koninklijke luchtmacht» vervangen door: van de Koninklijke Landmacht, van de Koninklijke Luchtmacht of van de Koninklijke Marechaussee.

   2. Toegevoegd wordt een lid, luidende:

   5. De tijd doorgebracht als reservist als bedoeld in artikel 1 wordt – indien deze tijd niet reeds wordt vergolden op grond van het eerste lid – meegeteld op de in het eerste lid aangegeven wijze, als ware die tijd diensttijd tot het verkrijgen van pensioen krachtens de bepalingen van de Algemene militaire pensioenwet.

   D. In artikel 10, tweede lid, wordt «Onze Minister van Oorlog» vervangen door: Onze Minister van Defensie.

   E. In artikel 11 wordt «Onze Minister van Oorlog» vervangen door: Onze Minister van Defensie.

ARTIKEL V

   Artikel 16 van het koninklijk besluit van 10 april 1931, nr. 21, houdende bepalingen betreffende eretekenen en medailles, wordt gewijzigd als volgt:

   1. In het eerste lid vervalt: , waarbij evenwel de tijd, doorgebracht als reservist niet in werkelijke dienst, wordt uitgezonderd.

   2. Toegevoegd wordt een lid, luidende:

   3. Bij de berekening van de diensttijd, nodig voor het verkrijgen van aanspraak op een medaille, wordt de tijd, doorgebracht als reservist die krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot het verrichten van werkelijke dienst, mede in aanmerking genomen.

ARTIKEL VI

   Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Kanselier der Nederlandse Orden.

’s-Gravenhage, 13 juli 2002

Beatrix

De Minister van Defensie,
A. H. Korthals

De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. G. de Hoop Scheffer

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes

Uitgegeven de achtste oktober 2002

De Minister van Justitie,
J. P. H. Donner


NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

   Bij besluit van Onze Minister van Defensie van 14 maart 2000 is de commissie «toekomst decoraties van de Minister van defensie» ingesteld. Deze commissie heeft aan Onze Minister van Defensie advies uitgebracht over het gebruik en de betekenis, nu en in de toekomst, van de decoraties, voorzover vallend onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister van Defensie.
   Een van de voorstellen die de commissie heeft gedaan is het verstevigen van de rol van Onze Minister van Defensie bij de toekenning van de Eerepenning voor menschlievend hulpbetoon. Door het versterken van de rol van Onze Minister van Defensie wordt in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de door de commissie gewenste transparante honorering van daden van dapperheid tijdens inzet bij vredes- en humanitaire operaties, waarbij niet zonder meer «strijd» of «vijand» aan de orde zijn, maar wel moed, beleid en zelfopoffering.
   Een tweede voorstel, dat door de commissie is gedaan is het aanwijzen van het Kruis voor Recht en Vrijheid als decoratie ter herinnering aan en waardering voor deelname aan operaties ter uitoefening van het recht tot individuele of collectieve zelfverdediging als bedoeld in artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag (het op 4 april 1949 te Washington tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag, Stb. 1949, J 355, nadien gewijzigd en aangevuld) en voor deelname aan vredesafdwingende operaties.
   Als derde voorstel van de commissie moet hier worden genoemd het voorstel om de Herinneringsmedaille Humanitaire hulpverlening bij Rampen toe te kennen aan anderen dan militairen die in het Nederlandse militaire verband hebben deelgenomen aan de hulpverlening. Daarbij zou de werkingssfeer van het betrokken instellingsbesluit moeten worden uitgebreid tot nationale rampen.
   Tenslotte moet hier nog worden genoemd het voorstel van de commissie om reservisten die werkelijke dienst verrichten voor de Trouwe-Dienst-medaille in aanmerking te laten komen.
   Het onderhavige besluit, tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 1946, houdende nieuwe regelen betreffende de instelling van een Eerepenning voor menschlievend hulpbetoon (Stb. G 199), het koninklijk besluit van 23 juli 1951, houdende instelling van het Kruis voor Recht en Vrijheid (Stb. 126), het Besluit Herinneringsmedaille Humanitaire hulpverlening bij Rampen, het Besluit militaire medailles en het koninklijk besluit van 10 april 1931, nr. 21, houdende bepalingen betreffende eretekenen en medailles, geeft uitvoering aan de door de commissie gedane voorstellen.

Artikelgewijs

Artikel I

   In het koninklijk besluit van 2 augustus 1946, houdende nieuwe regelen betreffende de instelling van een Eerepenning voor menschlievend hulpbetoon (Stb. G 199), is een nieuw artikel 4a ingevoegd. Het artikel maakt duidelijk dat een voordracht tot toekenning van een erepenning aan Ons wordt gedaan door Onze Minister van Defensie indien de menslievende daad is verricht door een militair dan wel door een burgerambtenaar in dienst van het Ministerie van Defensie. Voor de overige voordrachten blijft, overeenkomstig de bestaande praktijk, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties eerst aangewezen.
   Artikel 5 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1946, houdende nieuwe regelen betreffende de instelling van een Eerepenning voor menschlievend hulpbetoon (Stb. G 199), maakt het mogelijk dat in bijzondere gevallen de erepenning tijdelijk of blijvend wordt ontnomen aan hen, die zich dit ereteken niet langer waardig tonen. Ingevolge het oude artikel 5, tweede lid, kon een voordracht tot het ontnemen van een verleende erepenning uitsluitend worden gedaan door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In verband met het nieuwe artikel 4a is artikel 5, tweede lid, van het besluit herzien. Een voordracht tot het tijdelijk of blijvend ontnemen van een erepenning wordt nu aan Ons gedaan door Onze Minister die het aangaat.

Artikel II

   Ingevolge het nieuwe artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 Juli 1951, houdende instelling van het Kruis voor Recht en Vrijheid (Stb. 126), wordt het Kruis voor Recht en Vrijheid door of namens Onze Minister van Defensie toegekend aan militairen van de krijgsmacht die deelgenomen hebben aan krijgsbedrijven ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk of ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, voorzover deze krijgsbedrijven bij koninklijk besluit zijn aangewezen. In het verleden werd het Kruis voor Recht en Vrijheid uitsluitend toegekend ter zake van de krijgsbedrijven welke in het jaar 1950 zijn aangevangen op het schiereiland Korea. De onderhavige wijziging stelt thans buiten twijfel dat de onderscheiding ook kan worden toegekend bij krijgsbedrijven die buiten VN-verband hebben plaatsgevonden.
   Evenals voorheen het geval was moet het betrokken krijgsbedrijf bij koninklijk besluit worden aangewezen alvorens tot toekenning van de onderscheiding kan worden overgegaan. De aanwijzing van krijgsbedrijven ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde zal in de praktijk slechts plaatsvinden bij krijgsbedrijven die zich hebben voorgedaan bij de uitoefening van het recht tot individuele of collectieve zelfverdediging als bedoeld in artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag (het op 4 april 1949 te Washington tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag, Stb. 1949, J 355, nadien gewijzigd en aangevuld), krijgsbedrijven in het kader van Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties (gewapend optreden van de krijgsmacht met betrekking tot bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie, op basis van een besluit van de veiligheidsraad) en bij vergelijkbare krijgsbedrijven ter zake van vredesafdwingende operaties. Of sprake is van een vredesafdwingende operatie als hiervoor bedoeld zal onder meer blijken uit de rules of engagement van de uitgezonden eenheden van de krijgsmacht.

Artikel III

   In artikel 2 van het Besluit Herinneringsmedaille Humanitaire hulpverlening bij Rampen wordt «van overheidswege in militair verband zijn uitgezonden en die» vervangen door «deel uitmakend van of tezamen met de krijgsmacht». In de eerste plaats strekt deze wijziging er toe om de herinneringsmedaille ook aan anderen dan militairen te kunnen toekennen. Vereist is daarbij wel dat de hulpverlening tezamen met de krijgsmacht heeft plaatsgevonden.
   In de tweede plaats wordt, door het vervallen van de zinsnede «zijn uitgezonden», het bereik van het besluit verruimd. Thans kan de onderscheiding ook ter zake van hulp bij nationale rampen worden toegekend.

Artikel IV

   Met de wet van 27 mei 1999 tot wijziging van de Wet voor het reservepersoneel der krijgsmacht 1985 alsmede wijziging van de Algemene militaire pensioenwet in verband met de overgang naar een geheel uit vrijwilligers bestaande krijgsmacht (Stb. 279), die met ingang van 1 september 1999 in werking is getreden, is de huidige personele invulling van de reservecomponent van de krijgsmacht tot stand gekomen. Uitgangspunt daarbij is dat de taken van de krijgsmacht in beginsel zullen worden uitgevoerd met het parate bestand aan beroepspersoneel. Het reservepersoneel heeft een taak in geval van buitengewone omstandigheden, met name bij grootschalige conflicten, en kan daarnaast incidenteel vrijwillig deelnemen aan crisisbeheersingsoperaties. Het reservepersoneel kan zelf kiezen in welke mate als reservist activiteiten worden ontplooid.
   Thans worden drie groepen reservisten onderscheiden. De zogenoemde «reguliere reservisten» hebben geen extra verplichtingen na het ontslag als beroepsmilitair. Op hen rust slechts de verplichting om tot maximaal het bereiken van 45 jaar tot het reservepersoneel te behoren. Zij komen in die periode in beginsel niet meer in werkelijke dienst.
   De «actieve reservisten» blijven na hun ontslag als beroepsmilitair ook als reservist bij de krijgsmacht betrokken. Zij zijn bereid om hun parate kennis te onderhouden en hun militaire vaardigheden te vergroten. Zij nemen daartoe op vrijwillige basis de verplichting op zich om enkele weken per jaar in werkelijke dienst te komen. Op deze manier komen deze reservisten in aanmerking voor zwaardere functies en kunnen zo een militaire carrière volgen. «Afroepreservisten» hebben zeer specifieke specialistische kennis (weg- en waterbouwkundigen, medische specialisten) en gaan vrijwillig een verplichting aan om zich gedurende een bepaalde periode beschikbaar te houden voor inzet bij een crisisbeheersingsoperatie. Gedurende de periode dat de afroepreservisten zich beschikbaar houden nemen zij regelmatig deel aan functietrainingen.
   De onderhavige wijziging van het Besluit militaire medailles strekt er toe om, naast het beroepspersoneel van de Koninklijke Landmacht, van de Koninklijke Luchtmacht en van de Koninklijke Marechaussee, ook de actieve reservisten en de afroepreservisten van deze krijgsmachtdelen, na het volbrengen van een bepaalde periode van een eerlijke en trouwe dienst, voor de Trouwe-Dienst-medaille in aanmerking te laten komen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele redactionele wijzigingen in het Besluit militaire medailles aan te brengen.

Artikel V

   De Koninklijke Marine kent een eigen Trouwe-Dienst-medaille in een afwijkende uitvoering. De berekening van de diensttijd, nodig voor het verkrijgen van aanspraak op de Trouwe-Dienst-medaille van de Koninklijke Marine, is niet vastgelegd in het Besluit militaire medailles, maar in een afzonderlijk besluit: het koninklijk besluit van 10 april 1931, nr. 21, houdende bepalingen betreffende eretekenen en medailles. De wijziging van artikel 16 van het koninklijk besluit van 10 april 1931, nr. 21, houdende bepalingen betreffende eretekenen en medailles, strekt er toe om ook de actieve reservisten van de Koninklijke Marine voor de Trouwe-Dienstmedaille van dit krijgsmachtdeel in aanmerking te laten komen. Deze wijziging is overeenkomstig de wijziging, die ingevolge artikel IV in het Besluit militaire medailles wordt aangebracht.

De Minister van Defensie,
F. H. G. de Grave

De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K. G. de Vries


1 Stb. 1946, G 199, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 15 augustus 1959, Stb. 314.
2 Stb. 1951, 319, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 maart 1953, Stb. 126.
3 Stb. 2000, 89.
4 Stb. 1951, 30, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 februari 1987, Stb. 99.