Staatsblad
van het Koninkrijk der Nederlanden



Jaargang 1869


 
 
 
 


(No. 24)
BESLUIT
van den 19den Februarij 1869, no. 13.


 

 Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

    Gelet op het Koninklijk besluit van den 31 Mei 1833, no. 123, bepalende dat voortaan, wanneer belangrijke gebeurtenissen of eervolle wapenfeiten plaats vinden, aan hen, die daaraan deel namen en zich onberispelijk hebben gedragen, een algemeen onderscheidingsteeken zal kunnen worden geschonken;
    Overwegendem dat dit besluit tot dus ver niet is toegepast, en dat daarin, met behouden van het daarbij aangenomen beginsel, eenige wijzigingen wenschelijk zijn;
    Op de gemeenschappelijke voordracht van Onzen Ministers van Marine, Oorlog en KoloniŽn van den 3den December 1868, no. 123, geheim, van den 28sten November 1868, Kabinet lit. Q19 en van den 21sten November 1868, lit. C, no. 127, geheim;
    Den Raad van State gehoord (advies van den 29sten December 1868, no. 12);
    Gezien het nader gemeenschappelijk rapport van Onze Ministers van Marine, Oorlog en KoloniŽn van den 17den Februarij, lit. C, no. 24, geheim;

            Hebben goedgevonden en verstaan:

    Ter vervanging van het Koninklijk besluit van den 31sten Mei 1833, no. 123, en tevens ter toepassing van het daarin nedergelegd algemeen beginsel, te weten:

    Art. 1.     Voor hen, die deelgenomen hebben aan belangrijke krijgsbedrijven door Ons aan te wijzen, wordt een Eereteeken ingesteld.

    Art. 2.     Dit Eereteeken bestaat uit een kruis van Berlynsch zilver met vier armen, op welks voorzijde Onze beeltenis voorkomt, omgeven van een jarretière waarop de woorden: "voor Krijgsverrigtingen" te midden van een kran van eiken loof, dragende elk der vier armen van het kruis eene W.
    Het kruis wordt op de linker borst gedragen, aan een lint ter breedte van 3,8 Nederlandsche duimen, bestaande uit verticale strepen, waarvan de middelste de helft, en iedere zijstreep een vierde gedeelte der geheele breedte beslaat.
    De middelste streep is groen, de beide zijstrepen oranje.
    Het lint wordt niet zonder het Eereteeken gedragen.
    Over het lint wordt een gesp gedragen, waarop de naam en het jaartal van het krijgsbedrijf, waarvoor het Eereteeken wordt uitgereikt, vermeld staat.     Hij, die meer dan één krijgsbedrijf heeft bijgewoond, waarvoor het Eereteeken wordt uitgereikt, draagt de verschillende gespen, de namen en jaartellen der krijgsbedrijven bevattende, aan het lint boven elkander.
    Het kruis wordt slechts eenmaal uitgereikt.

    Art. 3.     Het Eereteeken wordt uitgereikt aan allen in den aanhef van dit besluit bedoeld, zonder onderscheid van rang of graad.

    Art. 4.     De toekenning geschiedt bij brevet of verklaring volgens hieraan gehechte modellen.

    Art. 5.     Op het verbeuren van het Eereteeken is van de toepassing de bepaling, welke bij het Koninklijk besluit van den 19 December 1832, no. 72, ten aanzien van het Metalen Kruis is vastgesteld.

    Art. 6.     Als krijgsbedrijven, bij art. 1 bedoeld, worden voor 's hands aangewezen de expeditiën: in 1846, 1848 en 1849 naar Bali;
    in 1850 tot 1854 naar Borneoís Westkust;
    in 1859 naar Boni;
    in 1859 tot 1863 naar de Zuidoostkust van Borneo.

    Art. 7.     De kosten uit Ons tegenwoordig besluit voortvloeijende, komen ten laste van:
    Hoofdstuk VI der Nederlandsche Staatsbegrooting (Departement van Marine, voor zoo veel betreft de Nederlandsche zeemagt;
    b. Hoofdstuk VIII der Nederlandsche Staatsbegrooting (Departement van Oorlog), voor zoo veel betreft het leger hier te lande;
    c. de begrooting van uitgaven voor Nederlandsch IndiŽ, voor zoo veel betreft hen, die daar te lande aanspraak op het Eereteeken hebben verworven; en
    d. hoofdstuk IX der Nederlandsche Staatsbegrooting (Departement van Koloniën), voor zoo veel betreft hen, die in de overige koloniŽn en bezittingen des Rijks, tijdens zij bij de landmagt dienden, regt op het Eereteeken hebben verkregen.

    Onze Ministers van Marine, Oorlog en KoloniŽn, zijn ieder voor zooveel hem aangaat belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk zal worden geplaatst in het Staatsblad en in de Nederlandsche Staatscourant, en waarvan tot kennisneming afschrift zal worden gezonden aan Onzen Kanselier der beide Orden, aan Onze Minister van Binnen- en Buitenlandsche Zaken, van Justitie en van FinantiŽn, aan den Raad van State, aan den Chef van Ons Militair Huis, aan het Hoog Militair Geregtshof en aan de Algemeene Rekenkamer.

    Ďs Gravenhage, den 19den Februarij 1869.

WILLEM.

De Minister van Marine,
Brocx.

De Minister van Oorlog,
J.J. van Mulken.

De Minister van Koloniën,
de Waal.

Uitgegeven den negentienden Februarij 1869.
De Minister van Justitie,
van Lilaar.


Ook gepubliceerd in de Nederlandsche Staatscourant, nummer 44, zaterdag 20 februari 1869, p. 1.