Staatsblad
van het Koninkrijk der Nederlanden



Jaargang 1815


 
 
 
 


(No. 33 *)
WET
houdende instelling van de Militaire Willems-Orde. Gearresteerd den 30sten April 1815, no. 5.


 

 Wij WILHELM, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot Hertog van Luxemburg, enz., enz.,enz.

  Alzoo Wij in aanmerking hebben genomen, dat het toeleggen van vereerende belooningen aan, en het dragen der daartoe behoorende teekenen of decoratien door die genen, welke zich van de pligten aan den krijgsdienst te water en te lande verbonden, door uitstekende daden van moed, beleid en trouwe hebben gekweten, bijzonder geschikt is tot opwakkering en aankweeking dier krijgshaftige deugden; en dat ook uit dien hoofde bij meest alle Europesche Mogendheden militaire orden van verdiensten zijn ingesteld; dat het bovenal voor den militairen stand vereerend is en tot een prikkel tot het verrigten van groote daden kan verstrekken, wanneer elk en een ieder van dien stand, van den hoogsten tot den laagsten in rang, in het geval zijn om, door schitterende bedrijven in het verwerven van zoodanige eervolle onderscheidings-teekenen te kunnen deelen, en dat Onze verheffing tot den Nederlandschen Troon eene geschikte gelegenheid is, om voor Ons krijgsvolk te water en te lande eene zoodanige eervolle militaire orde intestellen;   Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg van de Staten-Generaal, goedgevonden hebben te bepalen en de statuëren, gelijk Wij bepalen en statuëren bij deze:

  Art. 1.   Er wordt ingesteld eene orde, strekkende tot belooning van uitstekende daden van moed, beleid en trouwe, bedreven door die genen welke, zoo ter zee als te lande, in welke betrekking ook en zonder onderscheid van stand of rang, Ons en het vaderland dienen.
  Deze orde zal echter in bijzondere gevallen ook kunnen worden gegeven aan vreemde militairen, niet in Nederlandschen dienst zijnde.

  2.   De orde zal den naam dragen van de Militaire Willems-Orde.

  3.   Wij verklaren Ons te zijn Grootmeester dezer orde.
Het Grootmeesterschap van dezelve zal onafscheidelijk aan de Kroon der Nederlanden verbonden zijn.

  4.   De Militaire Willems-Orde zal bestaan uit vier klassen:

De Ridders van de 1ste klasse dragen de benaming van Groot-Kruisen; die van de 2de klasse dragen den naam van Kommandeurs; die van de 3de en 4de klasse worden onderscheiden door de vermelding van eene dier beide klassen, waartoe zij benoemd zijn.

  5.   De benoeming tot alle plaatsen van Groot-Kruisen, Kommandeurs en Ridders zal door Ons geschieden.

  6.   Het versiersel der orde zal bestaan in een wit geëmailleerd kruis met acht gouden geparelde punten. Op de armen van het kruis de woorden: voor Moed, Beleid, Trouw. Over hetzelve ligt het Bourgondische Kruis, bestaande uit groene laurierstokken, zaam verbonden door den gouden vuurslag; op de tegenzijde vervangen door een blaauw geëmailleerd medaillon, waarop in het midden van eene laurierkrans W, alles gedekt door eene gouden koninklijke kroon.
  Het lint oranje met twee smalle donker blaauwe strepen.

  7.   Het teeken van onderscheiding zal zijn:

Voor de Groot-Kruisen:

  Eene zilveren ster, geborduurd op den rok aan de linkerzijde en het juweel van de orde aan een lint, vier vingeren breed, en écharpe van de regter- naar de linkerzijde.

Voor de Kommandeurs:

  Het Ordens-teeken geborduurd op den rok aan de linkerzijde, zonder ster, doch met de kroon, en het juwel aan een lint, drie vingeren breed en sautoir om den hals.

Voor de Ridders van de derde klasse:

  Het ordens-teeken aan een lint, twee vingeren breed aan het knoopsgat; en

Voor de Ridders van de vierde klasse:

  een kleiner ordens-teeken, hebbende de punten, vuurslag en kroon in zilver aan een lint, een vinger breed aan het knoopsgat.

  8.   De militairen te water en te lande, die geen officiers-rang hebben, krijgen, wanneer zij tot Ridders van de vierde klasse benoemd worden, eene verhooging van inkomen, gelijk staande met de helft van de soldij, welke door hun op het oogenblik hunner benoeming wordt genoten. De soldij zal worden verdubbeld voor die genen der voormelde militairen welke tot Ridders van de derde klasse mogten worden benoemd.

  9.   Tot betaling der gemeelde verhooging van soldij en goedmaking der verdere onkosten der orde, zal jaarlijks eene somma op de begroting der staatsbehoeften worden gebracht.

  10.   Het lidmaatschap en versiersel dezer orde kan niet worden verloren, dan ten gevolge van een onteerend vonnis.

  11.   Het kapittel der orde zal bestaan uit zoo vele leden, als door Ons noodig zal worden geoordeeld, en Wij daartoe uit de Groot-Kruisen, Kommandeurs of Ridders zullen benoemen. -- Bij hetzelve kapittel zullen fungeren een kanselier en een thesaurier, daartoe door Ons, uit de leden der orde te benoemen.

  12.   Door Ons zullen in het vervolg worden vastgesteld zoodanige bepalingen, als Wij opzigtelijk de voordragten, om tot lid van deze orde te worden benoemd, als mede opzigtelijk het soort en den aard der bewijzen, welke daartoe zullen moeten worden ingediend en het onderzoek van dezelve, dienstig mogten oordeelen; gelijk mede de vereischte reglementen omtrent al het geen tot de administratie en discipline der orde, de beheering der aan dezelve geaffecteerde fondsen en de werkzaamheden van het kapittel betrekkelijk is.

  En op dat zulks kome ter kennisse van een iegelijk wien het mag aangaan, zal de tegenwoordige wet in het staatsblad worden geplaatst.

  Gegeven te Brussel, den 30sten April des jaars 1815, het tweede van Onze Regeering.

                    (geteekend)        WILLEM.

                                Van wege den Koning,

                        (geteekend)        A.R. Falck.