(No. 121). Landmagt. Bepalingen omtrent het toekennen van onderscheidingsteekenen en geldelijke belooningen aan militairen beneden den rang van officier.

  Besluit van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-IndiŽ, van den 29sten December 1860, no. 9.

    Gelezen de missive van den Minister van Staat, Minister van KoloniŽn, van 18 October 1860, Lett. C, no. 16/1190, daarbij aanbiedende in afschrift zijner Majesteits besluit van 17 September 1860, no. 98;
    Luidende hetzelve als volgt:
  Wij Willem III, bij de Gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
    Op de voordragt van Onzen Minister van Staat, Minister van KoloniŽn, dd. 15 September 1860, lett. C, no. 24;
    Herzien Ons besluit van den 11den Februarij 1859 no. 40, houdende nieuwe bepalingen omtrent het toekennen van onderscheidingsteekenen en geldelijke belooningen aan militairen beneden den rang van officier, tot Ons leger hier te lande behoorende;
    Gelet op Ons daarmede in verband staande besluit van 2 September 1859, no. 56;
    Hebben goedgevonden en verstaan:
    De bepalingen van artikel 4 van Ons eerstgemeld besluit bij deze van toepassing te verklaren op de landmagt in de Nederlandsche overzeesche bezittingen; met dien verstande, dat de bij het voorgeschreven artikel ingestelde gouden medaille en de daaraan verbonden gratificatie van f 50.- (vijftig gulden) zullen geschonken worden:
a. aan den Europeschen militair, na een tijdvak van 25 jaren onafgebroken trouwe en eerlijke dienst in de voormelde bezittingen, (kunnende de dienst in Europa ook hierbij in rekening worden gebragt, daarbij een jaar in Europa, hetzij al dan niet te velde doorgebragt, voor een half jaar dienst in Oost- of West-IndiŽ tellende);
b. aan den Afrikaanschen en Inlandschen militair, onverschillig van welken landaard, na eene zodanige dienst van 30 jaren;

    Zullende overigens de in Oost- en West-IndiŽ bestaande bepalingen nopens het toekennen al dan niet in bijzondere gevallen van diensttijd, ter bekroning der bronzen en zilveren medailles, en omtrent het verbeuren dier onderscheidingsteekenen, even zeer gelden voor de gouden medaille.
    Onze Minister van Staat, Minister van KoloniŽn is belast met de uitvoering dezes, waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister van Oorlog, tot informatie.

's Gravenhage, den 18den September 1860.
(Get.) WILLEM.

De Minister van Staat,
Minister van KoloniŽn,
    (Get.) ROCHUSSEN.

Accordeert met deszelfs origineel;
De fd. Sekretaris Generaal bij het Ministerie
van KoliniŽn,

(Get.) H. LOUDON.
Voor eensluidend afschrift:
De fd. Sekretaris Generaal,
(Get.) J. LOUDON.

    Is goedgevonden en verstaan:
    Van het vorenstaande bij deze aanteekening te houden.
    Afschrift, enz.
        Ter ordonnantie van den Gouverneur-Generaal
            van Nederlandsch-IndiŽ:
                De 1ste Gouvernements Sekretaris,

                    WATTENDORFF.

Uitgegeven den vierden Januarij 1861.
    De 1ste Gouvernements Sekretaris,
        WATTENDORFF.