LEGERORDERS 1929


No. 62

Ministeriële beschikking van 4 Maart 1929, IIIde Afd. B, nr. 111

Eereteeken voor het deelnemen aan belangrijke krijgsverrichtingen.

   De Minister van Defensie,

   Gezien het Koninklijk Besluit van 6 Februari 1929, nr. 10, aldus luidende:

   WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

   Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Koloniën en van Defensie van 18 Januari 1929 Kabinet, Letter L1, en van 1 Februari 1929, Geheim Litt. U11;

   Gezien het Koninklijk besluit van 19 Februari 1869 (Nederlandsch Staatsblad nr. 24, Indisch Staatsblad nr. 41), houdende instelling van een algemeen eereteeken voor belangrijke krijgsbedrijven;

   Overwegende, dat als belangrijke krijgsbedrijven, bedoeld in artikel 1 van vorengenoemd besluit, zijn aan te merken de krijgsverrichtingen:

   a.   in het Gouvernement Atjeh en Onderhoorigheden gedurende de jaren 1911 tot en met 1914;

   b.   in de residentie Wester-Afdeeling van Borneo gedurende de jaren 1912 tot en met 1914;

   c.   in de residentie Timor en Onderhoorigheden gedurende de jaren 1911 tot en met 1917;

   d.   op het eiland Ceram in December 1914 en in het jaar 1915 en

   e.   op het eiland Nieuw-Guinea gedurende de jaren 1907 tot en met 1915;

   en willende alsnog een bewijs te geven van Onze hooge tevredenheid over de houding van allen, die aan die krijgsbedrijven hebben deelgenomen;

   Hebben goedgevonden en verstaan:

   te bepalen, dat het hoogerbedoelde eereteeken wordt toegekend aan allen, die aan één of meer van de sub a tot en met e hiervoren bedoelde krijgsverrichtingen hebben deelgenomen, hetgeen, voor zoover het tot het Leger behoorende militairen betreft, moet blijken uit een desbetreffende aanteekening op hun stamboek. De ter zake uit te reiken gespen zullen onderscheidenlijk het opschrift dragen:

   a.   "Atjeh 1911-1914";
   b.   "W-Afdeeling Borneo 1912-1914";
   c.   "Timor 1911-1917";
   d.   "Ceram 1915" en
   e.   "N-Guinea 1907-1915".

   Onze Ministers van Koloniën en van Defensie zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Kanselier der Nederlandsche Orden en aan de Algemeene Rekenkamer.

   's-Gravenhage, den 6 Februari 1929.

WILHELMINA.

De Minister van Koloniën,
   KONINGSBERGER.

De Minister van Defensie,
   LAMBOOY.

   Brengt voorschreven Koninklijk Besluit door deze ter kennis van de landmacht;

   En heeft goedgevonden te bepalen, dat door de daarbij betrokken autoriteiten aan het Departement van Defensie - onder overlegging van extracten-stamboek - opgave zal behooren te worden gedaan van de officieren en mindere militairen onder hunnen bevelen, die in de termen verkeeren van het bepaalde bij vorenaangehaald Besluit en dat in voormelde opgaven, die voor 1 Mei a.s. bij het Departement van Defensie worden ingewacht, worde onderscheiden wie voor de toekenning van het eereteeken voor belangrijke krijgsverrichtingen met één of meer gespen en wie voor de gespen alleen in aanmerking komen.