RECUEIL MILITAIR 1897


Draagpenningen tot belooning van menschlievend hulpbetoon en als blijk van erkentelijkheid voor het aanbieden van geschenken, enz.

IIIde Afdeeling.

No. 86.


 

's-Gravenhage, 17 Juli 1897.

De Minister van Oorlog,

   Gezien het Koninlijk Besluit van 24 Mei 1897, no. 87;

   Brengt door deze, in verband met het herhaaldelijk gewijzigd Koninklijk Besluit van 19 Juni 1822, no. 92 en dat van 5 Mei 1877, no. 32, ter kennis van de Landmacht, dat bij vorenbedoeld Koninklijk Besluit van 24 Mei jl. het navolgende is bepaald:

   1o. dat met wijziging van het Koninklijk Besluit van 19 Juni 1822, no. 92, zooals dat werd gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 7 Mei 1837, no. 79, 22 Juli 1838, no. 87, 24 Januari 1841, no. 22, 1 December 1841, no. 72 en 22 September 1855, no. 64, de in genoemde besluiten bedoelden gouden, zilveren en bronzen medailles, uit te reiken tot belooning van menschlievend hulpbetoon, worden vervangen door ronde gouden, zilveren en bronzen draagpenningen van 30 m.M. middellijn, vertoonende een verheven krans van eikenbladeren, waaraan bevestigd is eenen Koninklijke kroon van gelijk metaal, en aan de voorzijde de beeltenis van H.M. de Koningin met het omschrift ,,Wilhelmina Koningin der Nederlanden" en aan de keerzijde het randschrift ,,Voor Menschlievend Hulpbetoon" en het woord ,,aan", waaronder telkens de naam van den begiftigde zal worden gegrafeerd; 1)

   2o. dat met wijziging van het Koninklijk besluit van 5 Mei 1877, no. 32, de medaille, als blijk van erkentelijkheid en goedkeuring toe te kennen aan hen, die door het aanbieden van belangrijke geschenken of op eenige andere wijze zich verdienstelijk hebben gemaakt ten opzichte van de verschillende wetenschappelijke en kunstverzamelingen des Rijks, wordt vervangen door een ronden gouden, zilveren of bronzen draagpenning van gelijken vorm en afmeting als bovenomschreven, doch dragende aan de keerzijde het randschrift: ,,Voor verdiensten jegens 's Rijks Musea", en het woord ,,aan", waaronder insgelijks telkens de naam van den begiftigde zal worden gegraveerd;

   3o. dat de onder 1o. en 2o. genoemde penningen worden gedragen op de linkerborst aan een oranje-moiré lint van 3 c.M. breedte, hebbende in het midden eene roode bies ter breedte van 7 m.M., welk lint niet zonder den draagpenning mag worden gedragen;

   4o. dat zij, aan wie de medailles in bovengenoemde Koninklijke besluiten genoemd, reeds werden geschonken, gerechtigd zijn tot het dragen van den bij dit besluit ter vervanging van hunne medaille ingestelde draagpenning.