RECUEIL MILITAIR 1844


Instelling van een onderscheidingsteeken voor langdurigen dienst door officieren.

(Besluit van den 19den November 1844 no. 46, bij resolutie van het Departement van Oorlog van den 14den December 1844, no. 21b, ter kennise van het Leger gebragt.) 1)

  WIJ WILLEM II, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ.

  Overwegende, dat bij Ons Leger vele officieren zich door eenen eervollen, langdurigen diensttijd in de rang van officier, hebben onderscheiden;
  In aanmerking nemende, dat, ten gevolge van de weinige uitzigten op bevordering, de officieren van minderen rang, doch bovenal de 1ste en 2de luitenants van de verschillende wapens en diensten, een groot aantal jaren in die mindere rangen, waaraan in het algemeen slechts zeer geringe traktementen zijn verbonden, moeten doorbrengen;

  En willende, zoo voor nu als voor het vervolg, de diensten beloonen, door de officieren in het algemeen, en door de 1ste en 2de luitenants in het bijzonder, gedurende zulk een lang tijdsverloop, aan Ons en aan den Staat bewezen en althans de ouderen in rang van laatstgemelde klasse van officieren tevens door eene materiëe lotsverbetering, opbeuren en te gemoet te komen;

  Op de voordragt van Onzen Minister van Oorlog van den 16den November 1844, Kabinet La. G.21, zeer geheim:

     Hebben goedgevonden en verstaan:

  Art. 1. Er zal een onderscheidings-teeken worden ingesteld, bepaaldelijk bestemd tot het beloonen van eenen eervollen, langdurigen Nederlandschen effecieven diensttijd van officieren en daarmede gelijkgestelde personen behoorende tot het leger, te rekenen van 6 December 1813.

  Art. 2. Het onderscheidings-teeken zal bestaan uit een' gouden gesp, waarop het cijfer, uitdrukkende het getal dienstjaren, in het midden eenen krans van olijf- en eikenloof, zich slingerenden om en zich verheffende boven twee kruislings liggende zwaarden; terwijl de gesp is vastgehecht aan een oranje, wit en blaauw gestreept zijden lint. 2)
  Het onderscheidings-teeken zal op de linkerborst worden gedragen.

  Art. 3. Het onderscheidings-teeken is bestemd voor officieren, die 15 jaar en meer effectieve Nederlandsche dienst als officier tellen. 3)
  Het cijfer in het onderscheidings-teeken zal voor hen, die er mede zijn begiftigd en zoo lang zij zich in actieve dienst bevinden, niet telken jaar, maar van vijf tot vijf jaren, door een evenredig hooger cijfer worden vervangen, zoodat, vermits het onderscheidingsteeken, in het vervolg, om dem regel, na eenen vijftienjarigen effectieven diensttijd, aan daarbij belanghebbenden voor de eerste maal wordt uitgegeven, daarop de cijfers XV, XX, XXV, enz. zullen mogen voorkomen.

  Art. 4. Bij de uitgifte van het onderscheidings-teeken in dit jaar, zal aan de officieren, die meer dan 15, doch minder dan 20-jaren effectieve officiersdienst tellen, het onderscheidings-teeken met het cijfer XV worden uitgereikt, terwijl, bij het toekennen van het onderscheidings-teeken aan hen, die van 20 tot 25, van 25 tot 30, enz., jaren effectieve officiersdienst tellen, naar eenen gelijksoortigen maatstaf zal worden tewerk gegaan.
   Hoezeer de cijfers in het onderscheidings-teeken, krachtens artikel 3, slechts telken 5 jaren worden veranderd, zal echter, wat de bovenbedoelde officieren betreft, de eerste verwisseling van het cijfer plaats hebben, naar gelang dat die officieren, op den 6den December van ieder jaar, 20, 25, 30 jaren enz. dienst zullen hebben volbragt.

  Art. 5. (vervallen.)

  Art. 6. (vervallen.)

  Art. 7. Hoezeer het onderscheidings-teeken, bij artikel 2 bedoeld, bepaaldelijk bestemd is, om aan officieren van het leger te worden uitgereikt, al niettemin de uitgifte daarvan ook kunnen geschieden aan gepensioneerde en eervol ontslagen officieren, voor zooveel zij namelijk tot dat einde schriftelijk bij het Departement van Oorlog zich aanmelden, en het, bij een door het Departement in te stellen onderzoek, gebleken zal zijn, dat het tegenwoordig gehouden gedrag, mitsgaders de vroeger gepresteerde Nederlandsche dienst, het verkrijgen van de gevraagde gunst niet in den weg staan.

  Art. 8. Het voorgeschreven onderscheidingst-teeken zal, bij de eerste uitreiking voor 's Rijks rekening worden verstrekt en aan de officieren, die er mede zijn versierd in eigendom toebehooren terwijl de kosten, vallende op het verwisselen der cijfers, na daartoe bekomen magtiging, voor rekening der belanghebbende zal moeten geschieden.
  De onkosten voor het aanschaffen der onderscheidings-teekenen, zullen door de korpsen die daartoe door het Departement van Oorlog worden aangewezen, op de afrekeningen met 's Rijks schatkist als uitgaven, bij artikel 154 van het provisioneel reglement van administratie bij de Landmagt bedoeld, aan het Rijk in rekening worden gebragt. 4)

  Art. 9. Het regt, om meer bedoeld onderscheidings-teeken te dragen, wordt verloren door het, op eene niet eervolle wijze, verlaten van de dienst of door een onteerend vonnis.

  Art. 10. Het onderscheidings-teeken zal, uit Onzen Naam, door het Departement van Oorlog worden toegekend; zijnde het Ons verlangen, dat de uitreiking van het onderscheidings-teeken, of de verwisseling van het cijfer in hetzelfde, telken jare slechts éénmaal en wel op den 6 December, Onzen geboortedag, plaats hebbe.

  Art. 11 (vervallen.)

  Onze Minister van Oorlog is belast met de uitvoering dezes, waarvan afschriften zullen worden gezonden aan Onzen Minister van Financiën en aan de Algemeene Rekenkamer, tot informatie en narigt.

  's Hage, den 19den November 1844.

(geteekend) WILLEM.

De Minister van Oorlog,

  (geteekend) LIST.


1). Gewijzigd bij K.B. van 27 Januari 1881, nr. 22.

2). Zie voor de huidige vorm van het onderscheidingsteken het K.B. van 30 December 1866, nr. 33.

3). Zie voor de toekenning aan reserve officieren het K.B. van 2 December 1913, nr. 50.

4). De op de aanschaffing van de onderscheidingstekenen vallende kosten worden thans door de zorg van het Ministerie van Oorlog betaald.