Home -> Medailles -> Wetenschappelijke instellingen -> Koninklijke Militaire Academie

Koninklijke Militaire Academie

Academie-medaille

De Academie-medaille werd op 24 november 1908 ingesteld door de officieren en ambtenaren van de Koninklijke Militaire Academie. De medaille wordt toegekend door de gouverneur, of met diens toestemming, als blijk van waardering voor bijzondere verdiensten ten aanzien van de KMA betoond door officieren en ambtenaren van deze instelling, of - bij hoge uitzonderingen - door buitenstaanders.
Sinds 13 mei 1914 (order van de gouverneur der KMA no. 105) kan de Academie-medaille tevens in brons worden toegekend voor bijzondere sportprestaties door kadetten.

Het is een ronde penning. De voorzijde vertoont het zuidfront van de buitenpoort van de KMA zoals deze tussen 1686 en 1696 werd verbouwd, met - door de buitenpoort heen - de binnenpoort zichtbaar. Om dit tafereel staat het omschrift: "KONINKLIJKE MILITAIRE ACADEMIE".
De keerzijde is vlak met beneden een op een lauwertak rustend gekroond schild met het monogram M.A.
De penning is uitgevoerd in brons en zilver en kent verschillende formaten: 47, 29 en 21,5 mm.
Het modellé van de penning is van J.J. van Goor. Het fabricaat is van Begeer.

Gouverneursmedaille

In januari 1935 werd door de gouverneur van de KMA, kolonel H.C.G. baron van Lawick Pabst, de Gouverneursmedaille ingesteld.

De ronde bronzen penning, met een middellijn van 60 mm., vertoont aan de voorzijde het kasteel van Breda, waarboven rechts in het veld het wapen van Nassau-Vianden. Beneden in schrijfletters de tekst: "KASTEEL VAN BREDA". Op een verhoogde rand is het omschrift "GOUVERNEUR KONINKLIJKE MILITAIRE ACADEMIE" aangebracht. De keerzijde bestaat uit een vlak veld, boven omgeven door een gestyleerde lauwerkrans, onder begrensd door de afsnede, waarin het Rijkswapen met schildhouders en bandspreuk. In het veld is ruimte voor een inscriptie.


"Ridderorden, eereteekenen, draagteekens en penningen, betreffende de Weermacht van Nederland en Koloniën (1813-heden)", door dr. W.F. Bax, 1973