Home -> Medailles -> Vaardigheidsonderscheidingen -> Koninklijke eereprijs voor schietwedstrijden

Koninklijke eereprijs voor schietwedstrijden

Ingesteld bij Koninklijk besluit van 5 februari 1902 (Staatsblad no. 24) "overwegende, dat het wenschelijk is de onder de bevolking toenemende zin tot vrijwillige beoefening van het schieten met handvuurwapenen aan te moedigen, ook wijl zoodoende kan worden bevorderd, dat zij, die behooren tot een der onderdeelen van de levende strijdkrachten, doch niet onder de wapenen zijn, gelegenheid vinden hunne schietvaardigheid te onderhouden of te verhoogen." en uitgereikt "aan hen, die daarvoor in aanmerking komen wegens hunnen schietvaardigheid, gebleken naar door Onzen Minister van Oorlog vastgestelde of vast te stellen regelen.".

Hoewel in het instellingsbesluit en op de medaille zelf gesproken wordt van de "Koninklijke eereprijs voor schietwedstrijden", spreken de ministeriële besluiten en het opheffingsbesluit van de "Koninklijke eereprijs voor betoonde schietvaardigheid".

Het is een ronde medaille met een middellijn van 28 millimeter. De voorzijde vertoont een naar links gewend portret van Koningin Wilhelmina met als omschrift "WILHELMINA KONINGIN DER NEDERLANDEN".
De keerzijde vertoont de Nederlandse Maagd, welke in haar linkerhand een in brede plooien uithangende Nederlandse driekleur met oranje wimpel houdt. Met haar rechterhand houdt ze een lauwerkrans boven een rot geweren met patronentas. Op haar borst is een pijlenbundel afgebeeld. Op de achtergrond enkele schietbanen. Het geheel is geplaatst binnen het omschrift "KONINKLIJKE EEREPRIJS VOOR SCHIETWEDSTRIJDEN". Aan de onderzijde, langs de afsnede, is in kleine letters de naam van de ontwerper te lezen: "J.C. WIENECKE".
De medaille is uitgereikt in zilver, verguld zilver en goud en werd geslagen bij 's Rijks Munt te Utrecht.

Naar het batonsoverzicht

Het moiré lint, 25 millimeter in breedte, is oranje met aan weerszijden banen in de nationale kleuren rood, wit en blauw.

Op het lint wordt een gesp gedragen in de vorm van een door een koningskroon gedekt schild van hetzelfde metaal als de eereprijs en waarop gegraveerd staan de woorden: "ALLEN WEERBAAR". Twee takken eik en lauwer omsluiten van weerszijden het schild.

De Koninklijke eereprijs voor schietwedstrijden is bij Koninklijk besluit van 12 april 1926 (Staatsblad no. 65) afgeschaft.


Reglement op de Koninklijke eereprijs voor schietwedstrijden

Het Reglement werd vastgesteld bij besluit van de Minister van Oorlog van 17 maart 1902 en luidde als volgt:

§ 1. De schietvaardigheid, die aanspraak geven kan op den eereprijs, ingesteld bij Koninklijk besluit van 5 Februari 1902 (Staatsblad no. 24), moet bij wedstrijden blijken.
§ 2. De voormelde wedstrijden zijn onderscheiden in gemeentelijke, provinciale en nationale wedstrijden, zullende daarbij respectievelijk de eereprijs in zilver, in verguld zilver en in goud kunnen verworven worden.
§ 3. De gemeentelijke wedstrijden kunnen onder de hierna vermelde voorwaarden plaats vinden jaarlijks, de provinciale en de nationale wedstrijden om de drie jaren. Voor de eerste maal kan een gemeentelijke wedstrijd gehouden worden in 1902, een provinciale in 1903, een nationale in 1904.
§ 4. De gemeentelijke wedstrijden vinden in den regel plaats tusschen 10 en 15 Juli, de provinciale en de nationale wedstrijden tusschen 13 en 20 Augustus.
§ 5. Aan den gemeentelijken wedstrijd kunnen, behoudens de bij § 8 gemaakte uitzondering, uitsluitend deelnemen de mannelijke ingezetenen van den leeftijd van 18 jaren en daarboven der gemeente, of in het bij § 9 bedoelde geval der vereenigde gemeenten, die, blijkens eene door den betrokken officier-onderwijzer uitgereikte verklaring, tusschen 1 Mei en 1 Juli van het jaar van den wedstrijd ten minste 80 scherpe patronen hebben verschoten onder leiding van militair onderwijspersoneel.
§ 6. Aan den provincialen wedstrijd kunnen, behoudens de bij § 8 gemaakte uitzondering, uitsluitend deelnemen de mannelijke ingezetenen van den leeftijd van 19 jaren en daarboven uit die gemeenten, of in het bij § 9 bedoelde geval uit die vereenigde gemeenten, der provincie, waar in het aan den wedstrijd voorafgaande jaar ten minste één eerepruis in zilver is verworven en dan nog alleen door hen, die blijkens eene verklaring, als in § 5 vermeld, tusschen 1 Mei en 1 Juli van het jaar van den wedstrijd ten minste 80 en in het daaraan voorafgaande jaar tusschen 1 Mei en 1 September ten minste 150 scherpe patronen hebben verschoten onder leiding van militair onderwijspersoneel.
§ 7. Aan den nationalen wedstrijd kunnen, behoudens de bij § 8 gemaakte uitzondering, uitsluitend deelnemen de mannelijke ingezetenen van den leeftijd van 20 jaren en daarboven uit die gemeenten, of in het bij § 9 bedoelde geval uit die vereenigde gemeenten, van het Rijk, waar in elk der twee aan den wedstrijd voorafgaande jaren ten minste één eereprijs in zilver is verworven en dan nog alleen door hen, die blijkens eene verklaring, als in § 5 vermeld, tusschen 1 Mei en 1 Juli van het jaar van den wedstrijd ten minste 80 en in elk der twee daaraan voorafgaande jaren tusschen 1 Mei en 1 September ten minste 150 scherpe patronen hebben verschoten onder leiding van militair onderwijspersoneel.
§ 8. Gerechtigden tot het dragen van den eereprijs, in § 1 bedoeld, hebben op vertoon van hun brevet toegang tot den wedstrijd in de gemeente en in de provincie hunner inwoning, zoo ook tot een nationalen wedstrijd. Gerechtigden tot het dragen van den eereprijs in goud blijven echter steeds buiten mededinging en gerechtigden tot het dragen van den eereprijs in verguld zilver en in zilver mogen slechts mededingen respectievelijk naar den eereprijs in goud en naar den eereprijs in goud èn in verguld zilver.
§ 9. Een gemeentelijke wedstrijd wordt gehouden, als ter plaatse eene schietbaan van ten minste 100 M. lengte beschikbaar is en zich tot deelneming hebben aangemeld:
  • in gemeenten van 100 000 ( ) zielen en daarboven, ten minste 375 schutters, als bedoeld in § 5;
  • in gemeenten van 65 000 zielen en daarboven, ten minste 300 schutters, als bedoeld in § 5;
  • in gemeenten van 40 000 zielen en daarboven, ten minste 225 schutters, als bedoeld in § 5;
  • in gemeenten van 20 000 zielen en daarboven, ten minste 150 schutters, als bedoeld in § 5;
  • in gemeenten van 10 000 zielen en daarboven, ten minste 75 schutters, als bedoeld in § 5;
  • in twee vereenigde gemeenten van ieder 5000 zielen en daarboven, ten minste 75 schutters, als bedoeld in § 5;
  • in drie vereenigde gemeenten van ieder minder dan 5000 zielen en daarboven, ten minste 75 schutters, als bedoeld in § 5.
§ 10. Een provinciale wedstrijd wordt gehouden:
  • in Zuidholland, op de banen van het garnizoen 's Gravenhage, als zich tot deelneming hebben aangemeld ten minste 625 schutters, als bedoeld in § 6.
  • in Noordholland, idem van het garnizoen Amsterdam, idem, idem;
  • in Gelderland, iden van het garnizoen Arnhem, als zich tot deelneming hebben aangemeld ten minste 375 schutters, idem;
  • in Noordbrabant, idem van het garnizoen Breda, idem, idem;
  • in Utrecht, idem van het garnizoen Utrecht, idem, idem;
  • in Groningen, idem van het garnizoen Groningen, idem, idem;
  • in Overijssel, idem van het garnizoen Deventer, als zich tot deelneming hebben aangemeld ten minste 250 schutters, idem;
  • in Friesland, idem van het garnizoen Leeuwarden, idem, idem;
  • in Limburg, idem van het garnizoen Maastricht, idem, idem;
  • in Zeeland, idem van het garnizoen Vlissingen, idem, idem;
  • in Drenthe, idem van het garnizoen Assen, als zich tot deelneming hebben aangemeld ten minste 125 schutters, idem.
§ 11. Een nationale wedstrijd vindt plaats in eene dezerzijds aan te wijzen legerplaats en wordt gehouden als zich tot deelneming hebben aangemeld ten minste 4000 schutters, als in § 7 bedoeld.
§ 12. De aanmelding tot deelneming aan de wedstrijden, in § 2 genoemd, geschiedt jaarlijks vóór of op 1 Juli bij den officier, die in de gemeente van inwoning der schutters belast is met de leiding van het schietonderricht.
Deze officier behoudt de lijst der namen van hen, die zich hebben aangemeld, zoo de aanmelding een gemeentelijken wedstrijd betreft en de gemeente niet in eene garnizoensplaats ; in het andere geval dient hij haar op 5 Juli in ten bureele van den plaatselijke- of den garnizoenscommandant ter plaatse. Betreft de lijst deelneming aan een provinciale wedstrijd, dan zendt hij haar in ten bureele van den plaatselijke- of garnizoenscommandant ter plaatse, waar, of in de nabijheid waarvan de wedstrijd volgens § 11 wordt gehouden; betreft zij deelneming aan een nationalen wedstrijd, dan zendt hij haar in, eveneens rechtstreeks, aan het Departement van Oorlog.
§ 13. De regeling van de voormelde wedstrijden geschiedt door commissiën, waarin burger- en militaire autoriteiten, zoomede bijzonder ervarenen op het gebied der regeling van wedstrijden zitting hebben, en die worden samengesteld;
voor een gemeentelijken wedstrijd door den plaatselijke- of den garnizoenscommandant ter plaatse, of, zoo deze geen garnizoensplaats is, door den officier, die daar met de leiding van het schietonderricht is belast, in overleg met den burgemeester;
voor een provincialen wedstrijd door den plaatselijke- of den garnizoenscommandant ter plaatse waar, of in de nabijheid waarvan, de wedstrijd volgens § 11 wordt gehouden;
voor een nationalen wedstrijd vanwege het Departement van Oorlog.
§ 14. Bij de voormelde regeling wordt in acht genomen:
  1. dat de wedstrijden plaats vinden op den afstand van 200 M., met dien verstande evenwel dat een gemeentelijke wedstrijd op 100 M. kan gehouden worden als ter plaatse over eene baan van 200 M. niet kan worden beschikt;
  2. dat door ieder schutter worden gedaan 5 schoten op de ringschijf, staande uit de vrije hand, en met geweer en patronen, van Rijkswege verstrekt;
  3. dat ter beschikking zijn:
    bij de gemeentelijke wedstrijden één eereprijs in zilver op ieder vol aantal van 75 schutters;
    bij de provinciale wedstrijden één eereprijs in verguld zilver op ieder vol aantal van 125 schutters;
    bij de nationale wedstrijden één eereprijs in goud op ieder vol aantal van 300 schutters;
    doch dat het, om voor dezer eereprijs te kunnen worden voorgedragen, niet voldoende is dat, met inachtneming van het bepaalde bij § 8, de schutter een hooger aantal punten heeft geschoten dan zijn medeschutters, maar dat bovendien:
    voor den eereprijs in zilver (gemeentelijke wedstrijd) moesten behaald zijn:
    op 200 M. ten minste 45 punten, 5 binnen kring 6;
    op 100 M. (zie het vermelde sub 1°.) ten minste 50 punten, 5 binnen kring 7;
    voor den eereprijs in zilver (provinciale wedstrijd):
    op 200 M. ten minste 47 punten, 5 binnen kring 7;
    voor den eereprijs in goud (nationale wedstrijd):
    op 200 M. ten minste 50 punten, 5 binnen kring 7;
  4. dat, indien een gelijk aantal punten wordt geschoten door meer schutters, bij den voorrang heeft wiens laatste schot, of, bij gelijkheid daarvan, wiens laatste 2 schoten een hooger aantal punten tellen dan de overeenkomstige schoten der anderen; bij gelijkheid ook van de laatste 2 schoten wordt door het lot beslist;
  5. dat aanbeveling verdienen alle gepaste maatregelen die belangstelling in de wedstrijden kunnen wekken en die van gunstigen invloed kunnen zijn op den omvang der deelneming;
  6. dat, zoo mogelijk, den deelnemers gelegenheid moet worden geboden om tijdens hunne aanwezigheid op de banen deel te nemen aan een of meer andere wedstrijden;
  7. dat, zooveel doenlijk, behoort te worden voorkomen dat zij, die zich tot deelneming aan een provincialen en c.q. aan een gemeentelijke wedstrijd moeten verplaatsen, verplicht zijn buiten hunnen woonplaats te overnachten;
  8. dat voor den nationalen wedstrijd in de dezerzijds aan te wijzen legerplaats een kamp wordt opgericht, waar het verblijf zooveel doenlijk wordt veraangenaamd en desverkiezend de deelnemers kunnen worden ondergebracht en gevoed voor Rijksrekening op den voet als zulks voor den soldaat is bepaald;
  9. dat de regelingscommissiën hare eventueele aanvragen tot beschikbaarstelling van het personeel, het materieel, de wapenen, de munitie en de baan of de banen noodig ter voorbereiding of tot het houden van de wedstrijden, behooren te richten tot den commandeerende-officier der infanterie ter plaatse, waar deze zullen gehouden worden, of in de nabijheid daarvan;
    voor den gemeentelijken en den provincialen wedstrijd te Utrecht tot den commandeerende-officier van het 5de bataljon van het 5de regiment infanterie; voor den nationalen wedstrijd tot den commandeerende-officier van het korps, het korpsgedeelte of de inrichting, dezerzijds aan te wijzen.
§ 15. De commandeerende-officieren in punt 9 van § 14 bedoeld, voldoen aan de in dat punt mede vermelde aanvragen.
Het vervoer van het aangevraagde geschiedt c.q. op de gewone wijze voor Rijksrekening.
Voor de vergoeding toe te kennen aan het beschik baar gestelde personeel, gelden de bepalingen ter zake vastgesteld bij de aanschrijvingen van den Minister van Oorlog dd. 2 Juni 1900, VIIde afd., no. 73, en 24 Augustus 1900, VIIde afd., no. 49 (R.M. 1900, bladz. 296 en 636).
§ 16. De commissiën voor de wedstrijden dienen 14 dagen na afloop daarvan een beknopt verslag in aan het Departement van Oorlog. Dit verslag gaat c.q. vergezeld van eene voordracht, houdende nauwkeurig de namen, voornamen en woonplaatsen van hen, die, gelet op het bepaalde bij §8, overeenkomstig het vastgestelde bij de punten 3 en 4 van § 14 voor eenen eereprijs in aanmerking komen, c.q. onder vermelding - en zulks in verband met den inhoud van artikel 5 van het Koninklijk besluit van 5 Februari 1902 (Staatsblad no. 24) tot vaststelling van den eereprijs - of de voorgedragene reeds vroeger een eereprijs verwierf en zoo ja, in welk metaal.
§ 17. De namen van hen, wien de eereprijs of de eereprijs in ander metaal, dan waarin hij reeds verworven is, wordt toegekend, worden in de Staatscourant vermeld.

Het reglement zou in de loop der jaren nog een aantal keren aangepast worden, te weten:

Besluit van de Minister van Oorlog van 11 april 1904:

  1. Het in § 5 genoemde getal van 80 patronen wordt nader vastgesteld op 60 patronen.
  2. De in de §§ 6 en 7 genoemde getallen van 80 en 150 patronen worden gesteld respectievelijk op 60 en 100 patronen.
  3. De in § 9 genoemde getallen van 375, 300, 225, 150 en 75 schutters worden gebracht respectievelijk op 200, 150, 100, 75 en 40 schutters.
  4. De in § 10 genoemde getallen van 625, 375, 250 en 125 schutters worden nader vastgesteld op 300, 200, 125 en 60 schutters.
  5. Het in § 11 genoemde getal van 4000 schutters wordt teruggebracht tot 2000 schutters.
  6. In den slotzin van § 14 wordt in de plaats van "het 5de bataljon van het 5de regiment infanterie" gelezen: "het 4de bataljon van het 9de regiment infanterie".

Besluit van de Minister van Oorlog van 22 juli 1907:
dat het gestelde in de regels 2, 3, 4 en 5 en onder 3°. van § 14 van de sedert gewijzigde beschikking van 17 Maart 1902, IIde afd., no. 8, wordt gelezen:
"bij de gemeentelijke wedstrijden één eereprijs in zilver op een vol aantal van 40 schutters en op ieder vol aantal van 75 schutters daarboven;
"bij de provinciale wedstrijden één eereprijs in verguld zilver op een vol aantal van 60 schutters en op ieder vol aantal van 125 schutters daarboven".

Besluit van de Minister van Oorlog van 17 april 1912:

  1. In § 5 wordt voor de woorden: "officier-onderwijzer', gelezen: "onderwijzer".
  2. De §§ 9 en 10 worden vervangen door:
    § 9. Eene gemeentelijke wedstrijd wordt gehouden, als ter plaatse eene schietbaan van ten ministe 100 M. lengte beschikbaar is en zicht tot deelneming hebben aangemeld:

    § 10. Een provinciale wedstrijd wordt gehouden:

  3. In § 11 wordt in plaats van het getal "2000" gelezen "1000".
  4. In de §§ 12 en 13 wordt voor "officier" gelezen "onderwijzer".
  5. In § 14 worden de punten 1°. tot en met 3°. vervangen door:
    1. dat de wedstrijden plaats vinden op den afstand van 100 meter;
    2. dat door ieder schutter worden gedaan 15 schoten op de schoolschijf A (bijlage IV van S.V.I. 1912) en wel: 5 schoten in staande, 5 schoten in knielende en 5 schoten in liggende houding, telkens uit de vrije hand, met geweer en patronen van Rijkswege verstrekt, en wel in de hier aangeduide volgorde;
    3. dat ter beschikking zijn:
      bij de gemeentelijke wedstrijden één eereprijs in zilver op een vol aantal van 20 schutters en eveneens op ieder vol aantal van 40 schutters daarboven;
      bij de provinciale wedstrijden één eereprijs in verguld zilver op een vol aantal van 50 schutters en eveneens op ieder vol aantal van 100 schutters daarboven;
      bij den nationalen wedstrijd één eereprijs in goud op ieder vol aantal van 200 schutters;
      dat dat het, om voor een dezer eereprijzen te kunnen worden voorgedragen, niet voldoende is, dat, met inachtneming van het bepaalde bij § 8, de schutter een hooger aantal punten heeft geschoten dan zijne medeschutters, maar dat bovendien de som der trefcijfers minstens zal moeten bedragen:
      114 voor den eereprijs in zilver (gemeentelijke wedstrijd), 116 voor den eereprijs in verguld zilver (provinciale wedstrijd), en 118 voor den eereprijs in goud (nationale wedstrijd).


Decorandi

Artikel 17 van het reglement op de Koninklijke eereprijs voor schietwedstrijden bepaald dat "De namen van hen, wien de eereprijs of de eereprijs in ander metaal, dan waarin hij reeds verworven is, wordt toegekend, worden in de Staatscourant vermeld.". Afgaande op de gepubliceerde namen in de Staatscourant is de Koninklijke eereprijs slechts elf maal verleend. Alle toekenningen waren in zilver.

Ministerieel besluit Naam en woonplaats
20-08-1904:   Pieter Marinus Meijer, wonende te Groede
29-08-1906:   Hendrik Anton Enkelaar, wonende te Amersfoort
16-08-1907:   Willem Pieter Mookhoek, wonende te Breskens
16-08-1907:   Franciscus Antonius van der Meeren, wonende te Bergen op Zoom
11-08-1908:   Arnoldus Martinus Laro, wonende te Bergen op Zoom
11-08-1908:   Pieter Versprille, wonende te Groede
20-08-1909:   Abraham Hartevelt, wonende te Utrecht
27-07-1911:   Ary Boer, wonende te Bergen op Zoom
06-08-1912:   Hendrikus Johannes Petrus Voets, wonende te Bergen op Zoom
09-08-1913:   Jacob de Vos, wonende te Bergen op Zoom
09-08-1913:   Eduardus Johannes Josephus Voets, wonende te Bergen op Zoom


Literatuur

"Besluit van den 5den Februari 1902, houdende instelling van een Koninklijken eereprijs voor schietwedstrijden" (Staatsblad 1902, nummer 24)

Bax, dr. W.F. (1973, integrale herdruk). Ridderorden, eereteekenen, draagteekens en penningen, betreffende de Weermacht van Nederland en Koloniën (1813-heden). Maastricht: A.G. van der Dussen B.V.
Meijer, H.G., C.P. Mulder & B.W. Wagenaar (1984). Orders and Decorations of the Netherlands. Venray: eigen publicatie, p. 135-136.
Meijer, H.G. & B.W. Wagenaar (2000). Onderscheidingen, Eretekens en Sportprijzen voor Vaardigheid. Venray: eigen publicatie.