Home -> Medailles -> Trouwe dienst / Weerbaarheidsverenigingen -> Eereteeken tot belooning van eervolle langdurige werkelijke dienst bij de schutterijen

Eereteeken tot belooning van eervolle langdurige werkelijke dienst bij de schutterijen

Bij de reorganisatie van het schutterswezen in Nederland werd bij Wet van 11 april 1827 in artikel 33 bepaald: "Wij behouden Ons voor om aan officieren, onder-officieren en verdere leden der schutterijen, die zich zulks door aanhoudend onberispelijk gedrag en langdurige diensten, of wel door uitstekende daden mogten hebben waardig gemaakt, zoodanige eereteekenen toe te kennen, als daartoe nader door Ons zullen worden bepaald, en zulks onverminderd andere onderscheidingen waarop zij, uity dienzelfden hoofde mogten aanspraak hebben, mitsgaders de billijke voorkeur welke hun bij het begeven van zekere ambten en bedieningen zal kunnen worden gegeven boven personen, die noch bij de staande armee noch bij de nationale militie hebben gediend.".

Het zou echter nog tot 1851 duren voordat dit ereteken zou worden ingesteld. Dit geschiedde uiteindelijk bij Koninklijk besluit no. 149 van 5 december 1851.
Het ereteken werd toegekend aan hen, die, "onder de werking der tegenwoordigen wet op de schutterijen, daarbij, voor zich zelve, gedurende vijftien jaren in werkelijke dienst zijn geweest en zich aanhoudend onberispelijk hebben gedragen." Daarbij werd bepaald dat de tijd in werkelijke dienst, buiten de woonplaats, bij de mobiele schutterij dubbel wordt gerekend.

Bij Koninklijk besluit van 9 januari 1852 werd bepaald, dat het ereteken ook bestemd is voor de schutterijen in de koloniën en dat de landvoogden van die koloniën gemachtigd werden om dit ereteken toe te kennen.

Het ereteken wordt verleend in twee uitvoeringen: één voor officieren en één voor onderofficieren en minderen.

voor officieren

1e type
Een zilveren gesp, waarop het cijfer, duidende de hoeveelheid werkelijk volbrachte dienstjaren in een door vijf deelbaar getal (XV, XX, XXV enz.), te midden van een krans van olijf- en eikenloof, zich slingerende om - en zich verheffende boven - twee kruislings liggende zwaarden. Het geheel gelijk het onderscheidingsteeken bij Koninklijk besluit van de 19 november 1844, no. 46, ingesteld voor de officieren van het leger. De gesp bevindt zich echter op een geheel oranje stuk lint.

2e type
Bij K.B. van 30 december 1866 is de gesp vervangen door een zilveren kruis 28 millimeter breed en 30 millimeter hoog, met in het midden een miniatuurversie van de gesp. Deze miniatuur gesp kon elke vijf jaar vervangen worden door één met het toepasselijke Romeinse cijfer. De verwisseling van jaartekens geschiedde op eigen kosten.

Naar het batonsoverzicht

Het lint is geheel oranje.

voor de onderofficieren en verdere leden der schutterijen

Medaille voor trouwe dienst bij SchutterijenHet ereteken heeft de vorm van een schild, waarop in verheven letters voorkomen de woorden: "TROUWE DIENST"; het schild is geplaatst voor en gedeeltelijk bedekkend over trophee van vaandels en wapenen, waaronder, mede in verheven letters, half cirkelvormig is gesteld het woord "SCHUTTERIJ"; het geheel is gevat in een krans van olijf- en eikenloof, waarboven een Stedenkroon. Het geheel uitgevoerd in zilver.

Bij Koninklijk besluit van 2 juli 1886 werd bepaald dat na 20 jaar de ring, de stedenkroon en de krans van olijf- en eikenloof verguld mochten worden. Bij 30 jaar mocht dan het gehele ereteken verguld worden. Uiteraard allemaal op eigen kosten.

Naar het batonsoverzicht

Het lint, 37 millimeter in breedte, is geheel oranje.


Literatuur

Hengel, G.H. van (1853). De Nederlandsche Ridderorden en Onderscheidingen of Eereteekenen. Velp: G.H. van Hengel Jr., p. 70-74.
Meijer, H.G., C.P. Mulder & B.W. Wagenaar (1984). Orders and Decorations of the Netherlands. Venray: eigen uitgave, p. 116.
Mulder, C.P. & P.A. Christiaans (2006). Het ereteken voor de schutterij 1852-1907. Rotterdam: eigen uitgave.