Home -> Medailles -> Dapperheidsonderscheidingen -> Eresabel

Eresabel

In de tijd van de Bataafsche Republiek was het heel gewoon dat men voor verdienstelijke of dappere daden door officieren hen beloonde met eresabels. In het Koninkrijk der Nederlanden bestond zo'n wapen echter officieel niet. Wel werden er, ten tijde van de Tiendaagse Veldtocht, door officierskorpsen en de vrijwillige jagers-studenten eresabels aan hun commandanten geschonken.

De officiële Eresabel werd pas bij Koninklijk Kabinetsrescript van 17 januari 1855, Litt.V. (Gouvernementsbesluit van 4 april 1855, Bijblad op het Indisch Staatsblad, no. 275), ingesteld. Hij werd uitgereikt aan reeds met de 4e klasse der Militaire Willems-Orde gedecoreerde officieren van het Nederlands-Indisch Leger, die zich door daden van dapperheid opnieuw bijzonder hebben onderscheiden in exceptionele gevallen. Bij Koninklijk besluit van 7 maart 1865, no. 51, werd bepaald dat de Eresabel ook aan reeds als zodanig gedecoreerde officieren van de Landmacht en de Schutterij kon worden verleend.

De Eresabel werd toegekend met een brevet. Dit brevet werd in eerste instantie getekend door de Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië en later door de Minister van Koloniën.

Van de Eresabel zijn diverse varianten bekend. Deze staan beschreven in het uitstekende artikel van de heer Puype in "Armamentaria", de jaaruitgave van het Koninklijk Nederlands Wapen- en Leger Museum 'Generaal Hoefer':

Model 1855 (voor officieren van het Nederlands-Indisch Leger)
Het gevest is van verguld messing. De horizontaal geribbelde, zwart hoornen greep had een vergulde greepkap welke uitliep in een leeuwenkop met opengesperde muil. De vergulde voorbeugel gaat over in een pareerstang met omgekrulde eindknop en ontspringt onderaan in een zijbeugel in de vorm van een lauwertak. In het midden van deze zijbeugel bevindt zich een zilveren koningskroon.
De kling is licht gebogen en wigvormig van doorsnede. Heeft een platte rug en op elke zijde een brede geul (de zogenaamde 'bloedgeul'). Het geheel is versierd met lofwerk in hoogreliëf en aan de buitenzijde met het opschrift: "KONINKLIJK EEREBLIJK VOOR BETOONDE DAPPERHEID".
De schede is van Berlijns zilver, versierd met banden en ringen van verguld koper.

Model 1859 (voor officieren van de Koninklijke Marine)
Hoewel nooit officieel vastgesteld, is dit een aangepaste versie van het Model 1855. Het gevest is gelijk, doch met een ivoren greep.
De kling is licht gebogen en voorzien van een ronde rug met onderaan een nogal uitstekend rugscherp (gelijk aan de Marine Officiersabel Model 1843). De versiering en het opschrift zijn hetzelfde als bij het Model 1855.
De schede is van zwart leer, met drie geciseleerde banden van verguld messing, de bovenste voorzien van een zilveren gekroond, staand, klaar anker (een anker zonder touw).

Model 1861 (voor officieren van het Nederlands-Indisch Leger)
Aangezien in de praktijk het dragen van de sabel bemoeilijkt werd door een te groot en te zwaar gevest, werd bij Koninklijk besluit no. 50 van 7 november 1861 een nieuw model voor de Eresabel vastgesteld.
Bij dit model is de greep slanker geworden en getooid met meer ribbels. De leeuwekop is kleiner en puntiger geworden. De voorbeugel maakt een ruimere bocht en heeft een afsplitsing in twee in plaats van één beugel. Een van deze beugels is een zogenaamde zijring, bestaat uit grote ajourgewerkte krullen en loopt horizontaal en gelijk aan de pareerstang. De andere beugel bestaat uit twee gebundelde lauwertakken. Tussen deze beugels is, precies opzij van de kling, een embleen aangebracht bestaande uit een vergulde krans van lauwertakken waarbinnen een zilveren, gekroonde "W".
De kling is gelijk aan het Model 1855, doch verschilt in opschrift: "KONING WILLEM III / VOOR BETOONDE DAPPERHEID" (aan de buitenzijde) en naam, rang, datum en gebeurtenis die aanleiding gaf tot decoreren aan de binnenzijde. De letters zijn verguld en op een geblauwde achtergrond geplaatst.
De schede is van Berlijns zilver.

Model 1864 (voor officieren van de Koninklijke Marine)
Bij het Model 1861 zien we alweer dat er voor de Marine een onofficiële, afwijkende versie bestond. De greep is weer van ivoor in plaats van zwart hoorn en is ingelegd met gouddraad. De voorbeugel en het ruggestuk zijn zwaarder uitgevoerd en rijker versierd. Ook de zijbeugels verschillen: zij zakken niet tot onder het niveau van de pareerstang, maar buigen naar boven, zodat weer gelijkenis onstaat met de Marine Officierssabel Model 1843.
De kling is gelijk aan het Model 1859, echter met het nieuwe opschrift als bepaald voor het Model 1861.
De schede is ook gelijk aan het Model 1859, nu echter met een ongekroon en onklaar, staand anker.

Model 1867 (voor officieren van de Nederlandse Landmacht en de Schutterij)
Aangezien het mogelijk was dat bij het Nederlands-Indisch Leger gedetacheerde officieren van de Nederlandse Landmacht en de Schutterij zich voor de Eresabel konden kwalificeren, werd het voor hun bij Koninklijk besluit no. 51 van 7 maart 1867 mogelijk gemaakt deze onderscheiding te verkrijgen. Volgens het K.B. moet deze Eresabel het gevest van het Model 1855 en de kling van het Model 1861 hebben. Volgens dr. W.F. Bax is dit model echter nooit uitgereikt. Puype kan hier geen bewijs voor leveren, maar weet wel dat er vier officieren van de Nederlandse Landmacht de Eresabel zijn uitgereikt. Er zijn geen Eresabels aan officieren van de Schutterij vergeven.

Model 1891 (voor officieren van het Nederlands-Indisch Leger)
Na het overlijden van Koning Willem III kwam een minderjarige Wilhelmina op de troon. Haar moeder, Koningin Emma, tradt totdat Wilhelmina 18 zou worden op als regentes. Bij Koninklijk besluit no. 11 van 15 september 1891 wijzigde het opschrift van Model 1861 in: "NAMENS KONINGIN WILHELMINA / VOOR BETOONDE DAPPERHEID". De Eresabel bleef voor het overige gelijk aan die van Model 1861.

Model 1895 (voor officieren van het Nederlands-Indisch Leger)
In 1895 kregen de officieren van het Leger in Nederlands-Indië een nieuwe standaardsabel. Daarom moest het model van de Eresabel hier aan aangepast worden. Dit nieuwe model werd ingevoerd bij Koninklijk besluit no. 9 van 24 mei 1895.
Het gevest is van gegoten en nageciseleerd zilver. Het heeft een ivoren greep met acht ribben, waarvan de groeven zijn ingelegd met gedraaid, verzilverd koperdraad omwoeld met fijn zilverdraad. De greepkap eindigt bovenop in een integraal meegegoten leeuwenkop met opengesperde muil. Bovenop de kop van de leeuw is een zilveren angelmoer geplaatst in de vorm van een Koninklijke kroon. Het ruggestuk is voorzien van geaplikkeerde, ajourgewerkte reliëfversieringen. De gevestkorf is zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde even breed en glad aan de binnenkant. De gehele korf is voorzien van versieringen in de vorm van over elkaar heen liggende ranken van acanthusbalderen, welke aan de buitenzijde in reliëf zijn uitgevoerd. In het midden is een gekroonde "W" verwerkt.
De kling is licht gebogen en wigvormig van doorsnede. Aan beide zijden bevindt zich een brede geul, welke onderaan overgaat in een tweesnijdend gedeelte van plat-ruitvormige doorsnede tot aan de punt. De kling is voor meer dan de helft bedekt door een paneel waarin zich teksten en versieringen bevinden. Aan de buitenzijde toont dit paneel een met lauwertakken afgezette cartouche met het wapen van Koningin Wilhelmina en de tekst "NAMENS KONINGIN WILHELMINA / VOOR BETOONDE DAPPERHEID". Na de tekst komt nog een lauwertak waarin een militaire trofee is verwerkt. Het paneel op de binnenzijde toont een boeket van eikenbladeren, waar tussen twee gekruiste vlaggen welke met een lint zijn samengebonden. Daarna komt het tekstgedeelte met naam, rang, datum en gebeurtenis die aanleiding gaf tot decoreren. Na deze informatie een met eikenbladeren afgezette afbeelding van een op een globe staande, gevleugelde godin. Deze draagt in haar linkerhand een palmtak en in haar rechterhand een lauwerkrans.
De schede is van vernikkeld staal en voorzien van zilverbeslag.

Model 1898 (voor officieren van het Nederlands-Indisch Leger)
Bij een zowel bij Puype als bij Bax en d'Artillac Brill onbekend Koninklijk besluit werd het opschrift van het Model 1895 gewijzigd in "KONINGIN WILHELMINA / VOOR BETOONDE DAPPERHEID". De Eresabel bleef voor het overige gelijk aan het Model 1895.

Model 1907 (voor officieren van de Koninklijke Marine)
Dit model wordt in het artikel van Puype genoemd als slechts één keer te zijn uitgereikt. Hij kon hier echter geen beschrijving van geven.

Aangezien de Eresabel alleen gedragen kon worden op het militaire uniform werd per brief van 22 september 1879 door een aantal ministers een voorstel aan de koning gedaan om met de Eresabel gedecoreerde officieren toe te staan op het lint van het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven een insigne te dragen bestaande uit twee verguld zilveren gekruiste sabels met op het middenpunt een koninklijke kroon. Hoewel het insigne enkele malen op de verzamelmarkt is opgedoken is het nooit officieel vastgesteld.

Naar het batonsoverzicht


Decorandi

Er is een lijst van Decorandi aanwezig.


Literatuur

"Eeresabel voor officieren van het leger en van de schutterijen hier te lande", Recueil Militair, 1867

Artillac Brill, P.J. dí, Sr. (1951). Beknopte geschiedenis der Nederlandse ridderorden. ís-Gravenhage: Martinus Nijhoff.
Bax, dr. W.F. (1940). Eeresabels. Amsterdam: eigen uitgave. Keers, ing. B. (2004, maart). Verblijfplaats van de Nederlandse Eresabels. Decorare. 11, p. 5-8.
Meijer, H.G., C.P. Mulder & B.W. Wagenaar (1984). Orders and Decorations of the Netherlands. Venray: eigen uitgave, p. 69.
Puype, J.P. (1985). De eresabel van luitenant Watrin, alsmede enige opmerkingen over de officiële eresabels van de modellen 1855, 1861 en 1895. Armamentaria. Jaarboek van de Stichting "Vrienden van het Legermuseum". 20, p. 96-108.
Spaans Azn., M. (2002). Eresabel. "De Indische Navorscher. XV (2).